Wie zijn wij?

  

Ik wist al heel vroeg dat  ik  “zuster” wilde worden. Na de middelbare school in Leeuwarden  pakte ik het telefoonboek en kwam terecht in Drachten waar ik de Z-opleiding volgde.  Dit stond voor de Zwakzinnigenzorg en de opleiding was degelijk en  breed. Ik werd opgevoed door de nonnen en we liepen nog in een prachtig zachtgroen uniform. Na het diploma lag de wereld aan mijn voeten en ik “kreeg” een baan met een 40-urige werkweek. 

De nadruk in de zorg lag nog bij de Reinheid, de Regelmaat en de Rust. Niet verkeerd, denk ik wel eens maar aan de andere kant werden onze “kinderen” omschreven als ziek. Dat vond ik toen al raar. Daarnaast hadden ze ook niet zoveel te willen en te kiezen, vond ik.
De zuster kwam rond theetijd binnen met een metalen dienblad, metalen bekers gevuld met Ranja. Er werd niet gevraagd: “wil je misschien?” Nee, er werd door de pupillen, zo werden ze genoemd, nog helemaal nergens voor gekozen.
De inrichting van de zaal was sober. Een degelijke eettafel met stoelen en verder niets. 
Ja, een blauwe mat voor als er eens iemand wilde liggen. Verder hing iedereen wat in de vensterbank tegen de ramen. Maar…. er waren activiteiten. Er werd iedere dag gewandeld en frisse lucht gesnoven, er werd gymnastiek gedaan en zomers waren we lekker buiten. 
De begeleiders werkten hard. Iedere dag bedden verschonen, slaapzalen dweilen, de was opvouwen, etc. etc.  en er werd ook wel eens geklaagd maar de sfeer was goed en je had het gevoel dat je er toe deed. ‘s Ochtends was er een korte koffiepauze ’s en verder werd er gewoon gedaan wat van je werd gevraagd en was het leven duidelijk. Het hoofd had één afdeling onder haar hoede en zorgde dat de tent draaide. Ze deelde de pillen en deed de administratieve zaken. Bij afwezigheid nam het sub-hoofd haar taken over, bij calamiteiten was zuster B. er, het paviljoenshoofd, en dat was het. Alles klopte en werd geregeld. Wij waren er voor de pupillen en het dagprogramma. 

Tweemaal per jaar was er een functioneringsgesprek met je leidinggevende en als je ziek was mocht je gewoon thuisblijven. Er waren nog geen hijgende arbo-artsen in de buurt. Je mocht het soms gewoon even niet trekken.

En toen ging het roer om. Al snel kwamen in de zeventiger jaren de zogenaamde clustermanagers. In het westen van het land was er een omslag gaande (bijvoorbeeld Dennendal).
De nadruk lag niet langer bij de drie RRR-en  en de hygiëne van de koelkast. De pupillen werden bewoners. Er werd binnen organisaties nagedacht over zorgplannen en de eerste stappen werden gezet op weg naar de cliënt “centraal”. Er werden leef,- en woonwensen geïnventariseerd. De begeleiders kregen meer verantwoordelijkheid. Dat was op zich niet verkeerd maar dat de hoofden opeens niet één maar meerdere afdelingen onder hun hoede hadden was in mijn optiek het begin van verslechtering van de kwaliteit van zorg. Er werd veel vergaderd in alle geledingen en de teams moesten steeds meer zelf doen. De term “zelfsturende teams” werd wel eens wat te  letterlijk genomen. 

Ik had het primair proces inmiddels verlaten en mijn zorg lag op een ander terrein. Komend uit een ondernemersgezin zat het ondernemen ook in mijn genen en ik ging het zorgen en het ondernemen verenigen tot een pedicurepraktijk. Gedurende 15 jaar oefende ik mijn beroep met veel plezier uit in een bloeiende praktijk. 

Vanaf 2000 tot 2007 werkte ik in het midden van het land voor een bestuursbureau van een grote zorginstelling. Ik mocht ondersteunende werkzaamheden verrichten voor een divisiemanager. Hij was zeer gepassioneerd voor zijn werk en niet op de wereld gekomen om vrienden met iedereen te willen worden. Er werden heel wat strijdbijlen opgegraven en weer begraven in het kantoor. Maar er gebeurde wel wat. Het ging over de visie en de missie en het meerjarenbeleidplan, er werd hard gewerkt in het bestuursgebouw.
Het institutionele denken maakte plaats voor vraaggestuurd werken waarin de cliënt geheel centraal stond. Tenminste zo was dat, uit voortschrijdend inzicht, bedacht. De cliënten die een leven lang op het instellingsterrein woonden gingen de samenleving in, gewoon in een rijtjeswoning met op de hoek de Albert Heijn. Gewoon naar de huisarts in de buurt, zwemmen in het sportfondsenbad en naar dezelfde kapper als ik. Ja, dat vond ik geweldig, dat was mijn manier van denken ook. 
De clienten kregen meer inspraak, er kwamen medezeggenschapraden en meer goede initiatieven in die richting. Het kwam voor dat deze manier van supportgericht werken niet door iedereen omarmd werd en het was een hele klus om deze ingezette koers te vertalen naar het werkveld.

De jaren vlogen voorbij en het waren woelige jaren in de zorg. De reorganisatie binnen instellingen was inmiddels ook begonnen, met als gevolg bezuinigingen die het ingezette beleid tegenwerkten. 

Inmiddels ben ik de weg van het zelfstandig ondernemen ingeslagen onder de naam BonteBok-Zorg. Deze stap geeft veel vrijheid als het gaat om inkopen van zorg en maakt het financiële plaatje transparant met een minimale overhead.
Samen met een nieuwe cliënt beginnen we altijd met een schone lei en vanuit daar gaan we bouwen. Bouwen op het fundament van het verleden en zo samen het toekomstperspectief ontwikkelen en vormgeven. Dit gaat met vallen en opstaan, ik noem het ondernemen in de samenleving net als u en ik dat doen.